Kat

(c) GB

(c) GB

Het is zondag en ik, mijn moeder en haar vriend lopen geamuseerd door Amsterdam. Mijn moeder heeft net een preek gehouden over Mozes en het gouden kalf. Dat Bijbelse verhaal gaat volgens haar over vergeving. Mozes treedt op als mediator en voorkomt dat de Heer op het hoogtepunt van zijn toorn over het Israëlitische volk heenwalst ‘als een dolle stier’. Een belangwekkende gedachte. Het is tijd om daarover te reflecteren onder een glaasje wijn.

Onderweg, op de parkeerplaats, worden we opgehouden omdat er een dode muis op straat ligt. “Kijk een dood muisje”, roept mijn moeder. “Nou wat nu”, roept de vriend van mijn moeder; “Wou je hem een uitvaart geven?” Ik wijs mijn moeder op de boosdoener die genoegzaam op een scooterzadel zit. Wat een ogen, constateren we. Ja, ze doen ergens aan denken, maar aan wat?

Het duurt een poos, maar nu realiseer ik me dat de kat me doet denken aan een ander godsbeeld dat ik bij wijze van alternatief naar voren wil schuiven.

Had God wel over het volk van Israël heen gewalst dan had hij waarschijnlijk eenzelfde uitdrukking gehad als deze kat. Voldaan dat hij zijn gram kon halen, maar een tikkeltje gefrustreerd omdat het volk als prooi bij een wreed, tijdelijk spel verloren is gegaan.

Dat het achterwerk van een Suzuki Swift op de achtergrond grijnst, is in dit verband van een niet onopgemerkte ironie.

Hoe God verscheen in Woudrichem

(c) GB

(c) GB

In een poging tot het vinden van een hapklare lunch maak ik nog een klein ommetje door Woudrichem. Het weer leent zich er uitstekend voor. Bovendien voel ik me genegen om het stadje de kans te geven zich schoon te wassen van allerlei vooroordelen.

In Woudrichem bevinden zich veel toeristenzaakjes, veel gesloten reastaurants, maar geen bakker. Armoe troef. In de oude gevangenenpoort kan ik een soep van de dag nuttigen, maar dat lijkt mij ongepast. Zometeen begint iemand nog een pannenkoekschip op de Rotterdamse bajesboot.

Na een korte wandeling lonkt en glinstert voor mij het water van de Afgedamde Maas. Een kleine veerboot meert zojuist af. Ik zie mezelf staan aan het water, overdenkend, de handen in de zakken, kijkend naar hoe de boot zich richting Gorinchem beweegt.

“Heb je de boot gemist?” Drie mannen die op de kade lopen op me af en sluiten zich om me heen. “Nee, niet bepaald.” Ik antwoord met een glimlach. “Nee? Want maak je geen zorgen, voor God is het nooit te laat, weet je dat wel?”. Mijn glimlach vergaat. Verdomd, is het niet bewonderenswaardig hoe ze hier deze metaforische fuik hebben opgetuigd?

“Mag ik je wat vragen, als vriend, geloof je wel in God?” Hij wacht mijn antwoord niet af. Zijn grote tanden klapperen door. “Laat ik het zo zeggen, denk je dat je naar de hemel gaat?” “Ik hoop het wel, antwoord ik ongelogen. “Hopen of geloven, dat is een groot verschil he, als je gelooft dan vertrouw je in Jezus en hij zal je vertrouwen nooit beschamen. Het enige wat je hoeft te doen is hem in je armen te sluiten. Vind je het goed als wij je een paar verhalen vertellen?”

Na wat getouwtrek krijg ik een foldertje in mijn handen gedrukt. Een van de andere twee mannen stamelt me nog iets toe over Jezus. Ikzelf vlucht de dijk op. Vanaf daar overzie ik de daken van het stadje en daartussen zweeft het kruis van een kerktoren die in de steigers staat. Ze wordt gerestaureerd door fluitende werklieden.

Onverrichter zake keer ik terug naar de parkeerplaats. In plaats van een hapklare lunch krijg ik een hapklaar godsbeeld in Woudrichem. Ik had het kunnen weten.

Recensie: “Onze Burgemeester en zijn Habitat”

(c) Dana Lixenberg

(c) Dana Lixenberg

Down the Rabbit Hole

(c) GB

(c) GB

Het is dus een misvatting dat een willekeurig adres tot een juist adres gemaakt kan worden door simpelweg een bord op te hangen aan de gevel. Net zoals het een misvatting is dat we een politieke partij per direct moeten geloven in haar burgergezinde ambities wanneer zij de term ‘vrijheid’ voert in haar naam. Zo’n manoeuvre helpt je om per direct ten prooi te vallen aan openlijke verdachtmaking.

Een juist adres kan alleen maar tot zo’n hoogte groeien na een klantenbeproeving van jaren en jaren. Kortinkjes, weggevertjes, extraatjes, full-time vriendelijkheid, ook wanneer het tegen zit. Het lijkt mij eerlijk gezegd een helse weg. Anti-gevoel jegens deze kleinburgerlijke meritocratie kan je zelfs doen besluiten om nooit meer te willen winkelen bij een zogenaamd ‘vertrouwd adres’.

Ik vind het dan ook niet onsympathiek dat deze man de wetten van de consumentengids afzweert en een lange neus maakt naar het idee van de winkeltrouw. Maar, what was he thinking? Iedereen weet immers dat het grote succes niet in een jaar bereikt kan worden, tenzij men iets verkoopt dat iedereen wil hebben, maar nog niemand heeft…

Wat is er te koop bij het juiste adres? Telefoons, drugs of shoarma. Alledrie misschien? Maar laten we de stereotypering verlaten en onze verbeelding de ruimte geven.

Stel dat deze winkel konijnen verkoopt, rijen sneeuw-witte konijnen in ruime hokken. Achterin de winkel staat een witte balie met daarachter een Marokkaan in een witte labjas. Op de balie staat een apparaat dat dienst doet als fax en telefoon tegelijk (zie gevel). Als de bel rinkelt neemt de Marokkaan op met het snuffelende geluid van een Vlaamse Reus. Geheimtaal.

Achten we zoiets mogelijk? Waarschijnlijk: nee. Mogelijk: ja.

Het is zo dat we hier uitgedaagd worden om over onze eigen stigmatiserende gedachten heen te springen. Hoe kunnen we gehoor geven aan deze uitdaging?

Er is maar één manier: door naar binnen te gaan. Down the rabbit hole. Nu blijkt dat de misleiding tenslotte ook de beste verleiding is. Met een wit bontjasje voor de telefoon komen we weer naar buiten.

De Lachende Derde

(c) GB

(c) GB

Recent betrapte de samenleving zichzelf op een erreur die snel hersteld diende te worden. Het ging om de 65+ korting die in vele publieke voorzieningen van toepassing is. Het blijkt dat deze korting onnodig is omdat de 65+ groep verhoudingsgewijs zeer rijk is. Geen reden dus om de ouden van dagen deze kers op de taart te gunnen. Een crisis moet breed gedragen worden.

Nu levert dat een interessant dilemma op: kunnen we het maatschappelijk gezien verantwoorden dat we de korting opdoeken, terwijl ondertussen de mantelzorg op het diepste punt verkeert sinds de eerste momenten waarop de mensaap zich in groepen verenigde?

Het voordeel van sociale media is dat je nu zeer snel onverwacht inzage kunt krijgen in deze problemen. Zo ontving ik vorige week dit bericht vanuit het niets op mijn telefoon:

“Ik ga morn met moeders noar oriental.ik dacht misschien hedde gij nog wa nodig” (het bericht was niet ondertekend.)

Laten we even kauwen op dit geheimzinnige bericht. Moeders, ook in regionale gebieden, worden kennelijk meegenomen naar Aziatische outlet stores. Naar de oriental gaan lijkt mij in dit geval een soort traktatie. Ik vermoed hier zelfs een nieuw fenomeen: de oriental is een magneet voor winkelouderen, een gerontologisch ballenbad. En er zijn dus nog steeds goedzakken die hun moeder op sleeptouw nemen.

De vraag is nu als volgt: als wij de 65+ korting afschaffen, wie springen er in dat economische gat dat ontstaat? Juist, de Aziaten. Waarschijnlijk zullen zij als eerste de korting voor 65+ ers nog aantrekkelijker maken, roeiend tegen de maatschappelijke tendens in. Alle concurrentie zal vervagen. Ik zie reeds massa’s rollators bewegen richting de oriental, ouderen die een laatste oorveeg uitdelen aan onze harteloze economie, en hun spaargeld indirect naar China overhevelen.

Voor je het weet blijft de weinig koopkrachtige beroepsbevolking achter in een wolk van verbazing. Door de crisis hangt ze noodgedwongen de winkelkar aan de wilgen en neemt genoegen met één mandje boodschappen per keer, terwijl oma kwiek voorbij stapt met een lachende Chinees aan de arm.

Netwerk

(c) GB

(c) GB

Ik sta met een Chinees op het tramplatform. Hij heeft grote, pruilende lippen. Boven mij hangen de lijnen van de trams en de kabels van de straatverlichting die de Kinkerstraat overspant. Daar weer boven speelt zich de vroege luchtshow af van de KLM.

Zacht verdampt mijn warme adem in de koude lucht, en achter mij komt inmiddels de tram tot stilstand met dat kenmerkende geluid, dat kortstondige signaal van de elektromotor die zijn zoem in toon verlaagt totdat de tram definitief is gestopt.

Ik neem een foto van de Chinees met op de achtergrond het lijnenspel. De Chinees geeft daarop geen kick. Ik vermoed dat hij zich allang geen zorgen meer maakt over het portretrecht of een eventuele inbreuk op zijn privacy. De Chinezen zijn wat dat betreft veel verder. Zij nemen de wereld als een alles integrerend netwerk reeds voor lief.

“Goedemorgen”, zeg ik tegen de tramchauffeur. Ook hij geeft geen kick. Toch is hij geen Chinees. De tramchauffeurs zijn ook opgegaan in hun netwerk, maar op een ouderwetse manier.

Du Chien

(c) GB

(c) GB

Een mistroostig hondje, dat is het zeker.  Zijn haar hangt in armzalige slierten over z’n kop. Het zoekt geen contact. Het staat slechts bij deze paal alsof het een meeting point betreft op een station.

“Is dat zo? Ben je inderdaad je baas kwijt?” (Blijf altijd beschaafd met honden, en hou altijd een afstand in acht). Ik kijk om me heen, maar zie niemand die aanstalten maakt om zich te ontfermen over het dier.

Het linker voorpootje schampert heen en weer, als een Duracell konijn.

Verderop passeer ik een man in een korte leren jack en een simpele blik. Ik lach hem kortstondig toe, zoals je dat geprogrammeerd kan doen in het openbaar. Ik krijg een verloren blik naar me toe geduwd. Zo baas zo hond. Geen land mee te bezeilen.

Dan in de loop van de middag vergeet je zo’n voorval. Daar is niks aan te doen, onze herinneringen, maar ook onze dagindelingen verlopen vrij lineair. Ze maken constant plaats voor nieuwe ervaringen.

Maar alsof de duvel er mee speelt, struikel ik op weg naar huis, bij het vallen van de schemering over hetzelfde kakhondje, op dezelfde plek. Wat moet dat? Ik vraag het me af. De hond geeft nog steeds geen sjoege. Het beest dweilt een beetje over het trottoir, richtingloos. Ik weet niet wat ik met je moet beginnen, denk ik. Ook de baas is in geen velden of wegen te bespeuren.

Geen tijd, geen ruimte. De grote stad ontfermt zich wel over je, of de politie natuurlijk. Ik denk het maar – dat is voldoende – en zwaai dan af de brug over.

De Stadsreinigers

(c) GB

(c) GB

In het bijzonder na het vuurwerk zijn er de stadsreinigers. Dit zijn er twee. De meeste mensen spreken ze in het dagelijks leven niet zo veel. Ik zou ze graag aan u voorstellen, maar daar hebben ze zelf niet zoveel zin in.

Of ik ze mag fotograferen dan?

“Nee” –  “Ja”, roepen ze respectievelijk in koor. Ze zitten daarbij als twee kinderen op het venster van café De Kwaker.

Ik ken dat café een beetje, omdat ik er ben geïntroduceerd door Guido, een gepensioneerde, besnorde man die vindt dat ik vrouwenschouders aanraak als een nicht. Dat vond ik zelf niet echt een belediging, maar hij bedoelde het wel zo en moest er smakelijk om lachen.

Verder herinner ik me dat hier lekkere hapjes met makreelsalade worden geserveerd – één van de beste  die ik ooit heb geproefd kan ik wel zeggen. Janna is de gastvrouw, maar ze is er nu niet. Er is nu niemand natuurlijk, want het is nog maar 12 uur ‘s middags. Geen tijd om bier te drinken, hoewel ze daar bij café Alverna, een steenworp verderop, anders over denken.

De stadsreinigers kijken elkaar verbouwereerd aan. Er heerst een korte staat van verwarring. Met één vraag schuif je zo een wig  tussen dit onafscheidelijke duo. Ik zou ze graag wat makreelsalade geven.

“Ja, toch, geen probleem?”, kijkt de een de ander aan opnieuw aan. De wat nukkige man wil protesteren, besluit dat hij daar geen zin in heeft en loopt weg.  De andere stadsreiniger stapt demonstratief naar voren, grijpt daarbij zijn bezem en plaatst hem vooruit alsof hij Gandalf zelf is die de aarde commandeert.

Jan Hanzenstraat

(c) GB

(c) GB

Voorbij café De Kwaker op het Bellamyplein. Voorbij het kleine bosje met het blauwe bassin, ligt de Jan Hanzenstraat. Dat is een straat voor sjacheraars. Eerst heb je café JJ’s. Dat lijkt me persoonlijk een dekmantelkroeg. Binnen zit een vrouw op de barkruk met haar leren jas om zich heen geslagen, de uitbater is er niet.
Daarna even verderop, bij de kruising met de Douwes Dekkerstraat bevindt zich café De Gein. Een verlaten oord, en een rommeltje binnen. Op een van de statafels ligt een kerstman met zijn buik naar boven gekeerd. Slachtoffer van een gangbang, of een voortijdig afgebroken operatie. Ik wil er niets mee te maken hebben.
Dan, op de hoek met de Ten Katestraat volgt eerst kapper Atlas, een kapper voor en door Marokkanen, gekenmerkt door een groene palmboom op de gevel die bij deze avond blauw oplicht door de kerstverlichting die tussen de huizen is opgehangen.
In de Jan Hanzenstraat is verder nog een soort lompenboer alias estafettewinkel waar ik blijf hangen. De zaak heeft geen naam, maar wel een bordje met ‘open’, en een uithangbord met ’satellite’.

Er is geen centraal punt in de winkel, alleen een ingang. De heuvels van kleding, meubels, boeken, gereedschap draaien en drijven over elkaar. De uitbater is een wat onfrisse man die in een ondefinieerbare taal rondspeekselt tegen een zwarte man die hier kennelijk ook schipbreuk leed en een oude synthesizer in zijn armen geklemd houdt.
Ergens uit een ondefinieerbare hoek klimt een stem die bij nadere inspectie de stem van een cassettespeler blijkt te zijn. Zo klinkt het zalvende geluid van een vrouw die evangeliserende boodschappen verkondigt over Jezus en de architectuur van het rijk Gods. De cassette wordt gedraaid bij wijze van demo.

Bij een hoop met boeken staan twee meisjes. “Ik ben gek op oude boeken”, zegt het ene meisje. “Ja, ik ook”, zegt het andere meisje. “Vooral boeken die zo oud zijn, niet dat ik ze lees, maar ik vind het lekker om ze in mijn handen te houden en door ze heen te bladeren.” “Nee, ik lees ze ook niet voor informatie. Ik bekijk alles op internet en zo, maar een mooi oud boek dat vind ik echt zo inspirerend.”

Terwijl de evangeliserende stem doorzalft en de meisjes doorkeuvelen aan mijn andere oor, pak ik een boek uit de hoop en laat het door mijn handen gaan: De Wereld der Woeste Natuur, bruine kaft.
Buiten ben ik weer in de Jan Hanzenstraat en ik loop langs de groene palmboom naar huis.

Kalkoengier

(c) GB

(c) GB

Boven Amsterdam hangt een zware kalkoengier. De kalkoengier is niet vernoemd naar de kalkoen omdat dit een van de belangrijkste dieren op zijn menu is.
Nee, de kalkoengier heet ‘kalkoengier’ omdat hij een rode kalkoenkop heeft.

Waarom is de kalkoengier zo succesvol? Het dier heeft met zijn enorme snavel de mogelijkheid om botten te breken en het merg er uit te lepelen. De gier heeft geleerd om dat wat niet meer benodigd is tot zijn voedselbron te maken. Nu waakt hij over de stad bij het vallen van de avond.

2012 zal het jaar zijn van de kalkoengier. Het dier zal zijn vreugde niet op kunnen. Al het merg, al de vette randjes, alle karkassen worden op straat geworpen. Hij zal ervan smullen. Geen enkel ander dier zal in zijn weg staan. Die zijn met de noorderzon vertrokken.

Voor de kalkoengier geldt: hoe minder om het lijf, hoe meer voer voor de gier. Hij heeft de tijd mee, eindelijk.